dinsdag 1 oktober 2013 / Villamedia / Maaike Putman

No woman's land / The making of...

Samen in een twijfelaar

Precies één week voor ons vertrek naar North Dakota wordt de eerste aflevering van de documentaire ‘Iedereen Journalist’ uitgezonden. Het gaat over die goeie ouwe tijd. ‘Vroeger kon er ruim gedeclareerd worden. Er werd nooit stop gezegd. Ik at hier altijd’, vertelt Thomas Lepeltak van De Telegraaf vanuit Hotel de l’Europe.

 

Toen Lepeltak furore maakte met het Stan Huygens Journaal en zijn dure lunches declareerde, hapten wij onze bammetjes met kaas nog weg op het schoolplein. We zijn beiden van de generatie journalisten die niet beter weet dan dat je projecten zelf regelt, voorschiet en lang niet alles kan declareren.

 

Toch kijken we wat weemoedig naar de uitzending over de gouden bergen in krantenland die wij niet hebben meegemaakt. Waar vroeger een redactiesecretaresse in een uurtje een ticket, hotel en huurauto geboekt zou hebben, zijn wij al weken bezig met het regelen van ons verblijf in Williston, onze bestemming in de VS.

 

Een paar maanden geleden hebben we het plan opgevat om een reportage te maken over de oliekoorts in North Dakota, een prairiestaat in the Mid West tegen de grens met Canada. De olie die daar al drie jaar rijkelijk opgepompt wordt, zorgt ervoor dat gelukszoekers uit de hele VS naar het afgelegen gebied trekken om fortuin te maken.

 

Het werk in de olievelden is zwaar, vies en gevaarlijk, maar de lonen liggen er hoog. Voor veel mensen, vooral mannen, zijn de oliebanen in North Dakota hun laatste hoop. Vaak zijn hun schulden hoog en uitzicht op werk elders nihil. Wij willen de levens van de weinige vrouwen die er wonen vastleggen.

 

Nrc.next heeft interesse getoond in een serie over hun dagelijks leven tussen de ruffnecks, zoals de oliearbeiders worden genoemd. Het is goed voor onze beide portfolio’s, en als NRC de serie koopt, zijn we uit de kosten. Maar bovenal lonkt het avontuur. Kuifje in Amerika. We gaan, besluiten we. Nu moeten we het alleen nog regelen.

 

De eerste hobbel is een vliegticket. Die blijken op het moment dat wij willen gaan niet goedkoper te zijn dan 1200 euro. We benaderen Dagblad Sp!ts, de krant waar we allebei begonnen zijn, om te vragen of een reisverhaal willen. Zo kunnen we onze reportage combineren met een persreis en ons ticket door een PR-bureau laten betalen.

 

Dat blijkt moeilijker dan gedacht, zeker in het hoogseizoen. Sp!ts ziet het voorgestelde reisverhaal zitten, maar tickets buiten georganiseerde persreizen blijken lang niet meer zo makkelijk te regelen, ook niet met een publicatiegarantie. Een camper? Nee. Een huurauto dan? Ook niet. Op alle fronten halen we bakzeil.

 

Bij de laatste muisklik van de ticketboeking gillen we het uit aan de telefoon. Nu moeten we echt gaan, want we staan 2400 euro in de min.

 

Maar ruim een week voor ons vertrek, gooien de ontwikkelingen in Zuid-Afrika de plannen in de war: Nelson Mandela ligt in kritieke toestand in het ziekenhuis. Ilvy heeft met het ANP de afspraak dat zij het vastlegt als Mandela komt te overlijden. Het gaat zo slecht dat Ilvy naar Johannesburg vertrekt. Het is dan een week voor de boeking naar de VS. We gaan onze vertrekdatum niet halen.

 

We verzinnen een noodscenario. Als we ons vertrek niet uit kunnen stellen moeten we los van elkaar om het verlies niet nog groter te maken. Niet ideaal. Dat we met z’n tweeën zijn is juist de kracht van dit hele project. Je vult elkaar aan, het beeld past bij de tekst en de tekst bij het beeld. En bovendien, als vrouw alleen werken in de olievelden waar mannen soms al weken geen vrouw gezien hebben, zal op zijn minst ongemakkelijk zijn.

 

Meerdere malen zeggen we tegen elkaar hoe fijn een secretaresse bij een groot bedrijf zou zijn die met een belletje naar KLM de boeking om zou buigen. We vervloeken onszelf dat we niet die 200 euro hebben bijgelegd voor de optie op flexibele vliegdata. Na twee dagen gierende stress lukt het dan toch om de tickets om te boeken.

 

Nu we een herkansing hebben gekregen om de reis gladjes te laten verlopen, gaan we als een gek aan de slag. We zetten alle zeilen bij om een slaapplaats te vinden. In boom town Williston is alles duurder dan elders in de VS, maar accommodatie spant de kroon door de gelukszoekers die toe blijven stromen. De huren in het prairiestadje zweven rond de 2000 dollar per maand. Een nacht in een eenvoudig pension begint bij 100 dollar. We zitten er zeven nachten.

 

We vragen zo subtiel mogelijk aan onze interviewkandidaten of zij ons kunnen huisvesten. We zoeken via Facebook, vragen bevriende Amerikanen om hulp en struinen zelf het internet af naar geschikte kandidaten met een extra kamer, maar een week voor vertrek zijn we nog steeds dakloos. Inmiddels zijn we in het stadium dat we aan het uitzoeken zijn waar we min of meer veilig kunnen kamperen in de omgeving.

 

Dat blijkt niet nodig, net als met de vliegtickets draait het geluk op het laatste moment. Eerst meldt de 19-jarige Sydné Mc- Kinney zich. Zij is een jaar geleden naar Williston verhuisd met haar vriend Viper. We vonden haar via haar blog die ze bijhoudt over haar leven in de olievelden.

 

Een dag later mailt Pam Rinas, een diep gelovige moeder van zeven kinderen die we hebben gevonden via het kerkgenootschap Above Rubies. Deze groep vrouwen heeft zichzelf ten doel gesteld om niet te werken en zich volledig te wijden aan het verzorgen van hun man en kinderen. Twee journalisten kunnen daar ook nog wel bij.

 

Gewapend met grote zakken stroopwafels en Delfts Blauw vertrekken we. We zijn van plan om vier nachten bij Sydné te slapen en drie bij Pam. Als we bij Sydné aankomen, is ze blij dat we er zijn. Ze studeert journalistiek, maar het is vakantie. Ze verveelt zich en hoopt van ons te leren. We nemen haar een dag mee op sleeptouw.

 

In ruil mogen wij zien hoe ze zich opmaakt, wacht tot haar vriend terugkomt, tv kijkt, haar eten kookt en boodschappen doet. We krijgen de sleutel en kunnen in en uit wanneer we willen. En Sydné heeft zelfs extra twee bedden. Sjiek!

 

Drie dagen later worden we bij Pam hartelijk ontvangen. Na een middag is ze aan onze aanwezigheid en het geklik van Ilvy’s camera gewend. We staan er met onze neus bovenop als ze haar kinderen thuisonderwijs geeft, hoe ze bidden voor het eten en hoe ze haar man knuffelt als hij na dagen in de olievelden eindelijk thuis komt. Bij Pam slapen we met zijn tweeën in een twijfelaar. Om niet helemaal lepeltje lepeltje te hoeven liggen, delen we de dekens: Ilvy de onderdeken, Rosanne de sprei, maar uiteindelijk blijkt het niks uit te maken.

 

De laatste dagen strekken zich uit van acht uur ’s ochtends tot een uur of drie ’s nachts omdat we in Nederland geen kans meer hebben om het verhaal compleet te maken. We hangen twee nachten rond in de stripclubs om het vertrouwen van de strippers te winnen, gaan mee met een nachtelijke politiepatrouille, drinken een Budweiser in een treurige bar. Als we eindelijk ons bed zien, vallen we meteen in slaap.

 

Zou deze manier van werken twintig of zelfs tien jaar geleden voor een groot medium ondenkbaar zijn geweest? Misschien. Maar wordt het een beter verhaal door deze constructie? Zeker. Zou Kuifje zeuren als hij in één bed moest slapen met Kapitein Haddock voor een goed verhaal? Nou dan.

 

 

Rosanne Kropman (30) studeerde psychologie. Ze liep stage bij Het Parool en werd daarna aangenomen bij Sp!ts. Na een kort uitstapje bij het PowNews keerde ze terug naar de schrijverij en werkt ze voor nrc.next, NRC Handelsblad, Het Parool en Sp!ts.

 

Ilvy Njiokiktjien (29) is freelance nieuws- en documentair fotograaf en multimedia journalist. Ze werkt vanuit Nederland maar fotografeert over de hele wereld. Ze brak met haar fotoserie ‘Afrikaner Bloed’ in 2011 internationaal door en won verschillende prijzen. Haar werk is gepubliceerd in internationale dagbladen als Der Spiegel, Telegraph Magazine en The New York Times. Njiokiktjien is dit jaar Fotograaf des Vaderlands.