vrijdag 21 maart 2014 / Lodewijk van Walraven

Artikelen / Het Parool

Succes van de ribkwal maakt nieuwsgierig

Het Koninklijk nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee wil een groot exotenonderzoek in het IJ. Aanleiding waren de resultaten van een onderzoekje naar ribkwallen.

 

 

De Amerikaanse ribkwal, het kwalletje dat iedere yomer veelvuldig door het IJ zweeft, lijkt zich te hebben aangepast aan de moeilijke omstandigheden in het Amsterdam- se water. Dat was de opmerkelijke uit- slag van een onderzoek van het op Texel gevestigde Koninklijk Neder- lands Instituut voor Onderzoek der Zee (Nioz).

 

De eerste kwallen werden in 2006 opgevist, maar nu al heeft het dier zich gewapend tegen het lage zoutge- halte van het water in het Amster- damse IJ en het Noordzeekanaal. Het zoutgehalte is voor kwallen een van de doorslaggevende factoren om te kunnen gedijen.

 

Lodewijk van Walraven, promovendus mariene ecologie bij het Nioz, stuurde zowel Texelse als Amsterdamse kwallen naar het Sven Lovén onderzoeksstation in Zweden. Verpakt in plastic potten van een liter, in piepschuimen dozen, kwamen de weekdieren heelhuids aan.

 

Daar kweekten hij en studente Helga van der Jagt de ribkwallen in een laboratorium. De Amsterdamse ribkwal bleek veel productiever dan de Texelse in water met een laag zoutgehalte, een teken van aanpassing. Van Walraven vermoedt dat er al vele tientallen generaties ribkwallen in het IJ hebben geleefd. Ribkwalletjes planten zich al voort als ze drie weken oud zijn. Van planten is het bekend dat ze zich al in twintig generaties kunnen aanpassen aan een nieuwe omgeving, maar hoe dat bij ribkwallen zit, is onbekend. Volgens Van Walraven duidt de aan- passing er ook op dat de kwallen er- gens overwinteren in het IJ, hoewel de dieren bij het invallen van de herfst verdwijnen uit de onderzoeksnetten. Verder onderzoek zal moeten  uitwijzen of dit inderdaad zo is.

 

Oorspronkelijk komt de Amerikaanse ribkwal uit de wateren aan de Atlantische kust van de VS. Het dier kwam vermoedelijk met ballastwater van schepen mee naar Amsterdam. De resultaten van het ribkwallenonderzoek hebben er mede voor gezorgd dat het Nioz een groot onderzoek in het IJ overweegt.

 

Van Walraven: ‘Over wat precies in het IJ-water leeft, is nog veel onbekend. Het IJ en het water van de havens zijn ook op wereldschaal bijzonder, omdat er zo veel biotopen op zo’n klein oppervlak voorkomen: zout, zoet en brak water, met ook nog sterk verschillende temperaturen.” Bovendien blijven er maar nieuwe exoten bijkomen in het IJ. “Het is heel bijzonder wat je met een simpel net achter het Centraal Station vangt. Zowel zoet- als zoutwatervis, afkomstig van over de hele wereld.”

 

Er wordt al wel onderzoek in de haven gedaan: Martin Melchers en onderzoeksvisser Piet Ruijter inventariseren wat er zoal zwemt. Dat gebeurt in opdracht van Haven Amsterdam, de gemeente en Waternet. Dit jaar wil Van Walraven gebruiken om subsidie te krijgen voor het exotenonderzoek. Als dat lukt, kan het Nioz in 2015 beginnen met het nemen van monsters in het Amsterdamse water.