zaterdag 21 december 2013 /

Artikelen / Het Parool

Smullen voor de Amsterdamse vos

De vossen zijn dit jaar in Amsterdam soms anderhalve kilo zwaarder dan anders. Hun lievelingseten, konijn, wandelt aan de stadsranden bijna vanzelf hun bek in.

 


Er liep een manke vos rond op begraafplaats Sint Barbara, ten noorden van het Westerpark, kreeg de Dierenambulance te horen. Ter plaatse troffen de vrijwilligers inderdaad een vos aan. Hij trok met zijn poot, maar zag er verder kerngezond uit. Goed in zijn vacht, weldoorvoed.

 

Toch maar even aansterken bij dierenopvang De Toevlucht, werd besloten, want doorgaans maken manke dieren het niet lang. Maar met dit dier haalde de Dierenambulance bakzeil: het was iedereen te snel af.

 

Een paar maanden later kreeg de Dierenambulance een nieuw telefoontje. De manke vos hobbelde nog altijd de begraafplaats over, in topconditie. Aan drie poten had hij kennelijk genoeg om aan konijnen te komen. Eten in overvloed.

 

Dat de stadsvossen vette jaren beleven, is ook te merken aan hun gewicht. Bijna allemaal zijn ze ongeveer anderhalve kilo zwaarder dan anders. De gemiddelde vos in Amsterdam woog 5,5 tot zes kilogram. De vossen die dit jaar binnen worden gebracht, wegen zeven tot 7,5 kilo.

 

Geert Timmermans, stadsecoloog bij de Dienst Ruimtelijke Ordening (DRO), kijkt er niet van op. "Ze hoeven nu alleen maar met hun bek open in het gras te liggen. 2012 en 2013 zijn uitzonderlijk goede konijnenjaren geweest." Sinds vorig jaar heerst ook de konijnenziekte myxomatose, waardoor de prooidieren nog gemakkelijker te pakken zijn.

 

Timmermans telde de laatste twee zomers tijdens een fietstochtje in het Diemerpark in Oost soms vier- tot vijfhonderd konijnen. Geen wonder dat er alleen al in dit park drie vossenparen wonen.

Het andere vossenparadijs binnen de stadsgrenzen ligt in het Westelijk Havengebied met een uitloper naar het konijnenrijke Sloterdijk en het Westerpark.

 

In het Amsterdamse Bos, toch een voor de hand liggende plek voor zo'n groot roofdier, komt de vos weer nauwelijks voor, omdat mensen daar massaal de hond uitlaten. Vossen ontlopen bij voorkeur hun gedomesticeerde neef.

 

Of de twee vette jaren voor de vossen ook tot meer nakomelingen hebben geleid, moet deze winter nog blijken. Het zou goed kunnen, denkt Timmermans. Bijna alle territoria zijn inmiddels bezet. Niet dat een topvos nu zit te wachten op een strookje gras bij het Erasmuspark of een krap bemeten bosje aan de spoorlijn. Het zijn juist de kneusjes en de jonge, onervaren mannetjesvossen die de stadse, stenige stukken voor hun rekening nemen.

Juist in deze tijd van het jaar - van november tot en met januari is het paartijd voor vossen - zijn de jonge, door hun vaders verjaagde mannetjes vaker te zien, omdat ze op zoek zijn naar een nieuwe plek.

 

Timmermans schat dat inmiddels ongeveer dertig vossenparen binnen de stadsgrenzen van Amsterdam wonen. Die schatting is gebaseerd op het aantal waarnemingen en op het aantal dode vossen dat is aangetroffen. De laatste negen jaar werden ruim honderd dode vossen aangetroffen in Amsterdam. Dat waren meestal verkeersslachtoffers.

 

In Amsterdam mogen de rafelranden dan door deze volvette bontkraagjes gekoloniseerd zijn, in het centrum blijft een vos een zeldzame dwaalgast. Van een plaag, zoals in Londen, is geen sprake. Volgens Timmermans worden de meeste stadsparken daarvoor te intensief gebruikt en loopt de wilde natuur daar niet ver genoeg de stad voor in.