zaterdag 29 oktober 2016 / fotograaf onbekend

Artikelen / NRC/Handelsblad

Hoe de oorlog was? Vraag het een hologram

Hoe werkt het herdenken van de Eerste Wereldoorlog zonder levende getuigen? Het Verenigd Koninkrijk slaagt erin, met succes. Nederland richt zich voor de Tweede Wereldoorlog nog vol op de laatste overlevenden.

 

De meeste mensen die op oude beelden van de Bevrijding staan te zwaaien naar de Amerikanen en Canadezen zijn inmiddels overleden. Zij die aan het eind van de oorlog twintig waren, zijn al in de negentig. De volwassen afwegingen, opinies, analyses en herinneringen van toen, van de mensen die het grootste conflict in de geschiedenis hebben doorstaan en hebben uitgevochten; we kunnen er binnenkort niet meer naar vragen.
Is dat reden tot haast, of hebben we genoeg informatie, ook voor volgende generaties?
Anders dan Nederland hebben landen als Duitsland, Engeland, België en Frankrijk twéé generaties die volwassen geworden zijn in de schaduw van een bloeddoordrenkt hoofdstuk in de hedendaagse geschiedenis.
Ook de Eerste Wereldoorlog was bepalend voor de generatie die hem meemaakte, én voor de generaties die erna geboren werden. Nog steeds worden de gebeurtenissen en de slachtoffers herdacht en proberen de latere generaties lessen te trekken uit de gruwelen van toen. Dat gebeurt al een paar jaar zonder ooggetuigen; de laatste veteraan uit de loopgraven stierf in 2009 op 111-jarige leeftijd.
Met name in Engeland waar de Eerste Wereldoorlog, en niet de Tweede bekend staat als The Great War slaagt men er verbluffend goed in om de herinnering aan die oorlog van een eeuw terug levend te houden. Zo zendt de BBC, toch een beetje het nationaal historisch geweten van Engeland, van 2014 tot 2017 bijna 2.500 uur materiaal uit over de Eerste Wereldoorlog ruim drie maanden als je achter elkaar zou kijken en luisteren.
Maar hoe gaat dat, zonder de mensen die erbij waren?
Nog één overlevende
Julian Birkett produceerde Britain s Great War, een vierdelige monsterproductie van de BBC die het klapstuk moest worden van de vier herinneringsjaren op televisie.
Hij had nog één overlevende tot zijn beschikking. Violet Muers, tijdens de opnames 105 jaar oud, kon zich uit haar kleutertijd het bombardement van de Duitsers op haar geboorteplaats Hartlepool in Midden-Engeland nog herinneren. Enkele maanden voor de eerste uitzending van Britain s Great War stierf ook Muers.
Birkett was blij dat hij de oude dame nog had kunnen vinden, maar ze was niet essentieel voor het vertellen van het verhaal, zegt hij. Voor de vier uur durende serie maakte hij gebruik van interviews met loopgraafveteranen uit de jaren vijftig, die zijn omroep destijds al gemaakt had ook vanuit het idee dan hebben we het maar vast .
Zonder die serie interviews had hij niet geweten waar hij had moeten beginnen, en was de productie bovendien te duur geworden doordat er veel meer archiefonderzoek nodig zou zijn geweest. Ontbrak er nog iets? Nee, er was eerder te veel dan te weinig , zegt Birkett. Het kiezen van het materiaal was het moeilijkst.
Bijna te veel hebben, daarmee kampt ook het Imperial War Museum, hét archief van de Eerste Wereldoorlog in Engeland, waar ook de interviews van Britain s Great War uit kwamen. We zijn nog steeds bezig alles goed te archiveren, en dagelijks komen er nieuwe dingen bij , zegt conservator James Taylor. Echte gaten zijn er niet, hooguit zou hij nog een uniform uit een bepaalde serie willen toevoegen, suggereert hij. Ook om meer herinneringen zit hij niet verlegen. Bijna iedere man van die generatie in Engeland hield een oorlogsdagboek bij. Je kan niet alles meer toevoegen.
Knuppels met metalen koppen
In het Imperial War Museum opende in 2014 een vernieuwde permanente tentoonstelling over de Eerste Wereldoorlog. Bezoekers zien alleen voorwerpen die gebruikt zijn tijdens de oorlog en getuigenissen van tijdens de oorlogsjaren. Laarzen, geweren, een collectie knuppels met verschillende metalen koppen, een afschrikwekkend camouflagepak van een scherpschutter. Gasmaskers, brieven, etensverpakkingen.
Er worden hier, anders dan toen het museum in 1920 opende, geen herinneringen meer opgehaald middels getuigenissen van veteranen. Dat was een bewuste keuze, zegt Taylor. Toen dit museum opende, waren alle bezoekers veteranen. Zij kenden het verhaal, ze hadden het zelf meegemaakt. Zij kwamen om hun eigen ervaringen gereflecteerd te zien in de spullen, maar ook in verhalen van anderen.
Maar honderd jaar na dato heeft de conservator een heel andere baan dan zijn voorgangers, tot in de jaren vijftig steevast veteranen uit de Eerste Wereldoorlog. Taylor en zijn collega s moeten het verhaal uit tweede hand vertellen aan een nieuwe generatie bezoekers. Taylor bleef zo dicht mogelijk bij wat hij uit die tijd tot zijn beschikking had. De tentoonstelling toont de oorlog, niet de herinnering daaraan.
Herinneringen die generatie op generatie zijn doorverteld hebben een soort mythe rondom de Eerste en de Tweede Wereldoorlog geschapen, zegt Taylor. De afgelopen decennia hebben die mythes alleen maar kunnen groeien. In Engeland geldt de Eerste Wereldoorlog als de nationale tragedie. De Tweede Wereldoorlog is de nationale trots. Er is een mythe van onoverwinnelijkheid, maar in feite hebben de Russen de Tweede Wereldoorlog gewonnen. Wist je dat 93 procent van de dodelijke slachtoffers op land van juni 1941 tot juni 1944 toegebracht zijn door de Russen? Daarom moet je terug naar de basis, om de geschiedenis en niet de mythologie naar voren te laten komen.
Bovendien, benadrukt hij, is het menselijk geheugen onbetrouwbaar. Een antwoord op een gestelde vraag is dus niet zozeer de waarheid, als wel de herinnering aan de gebeurtenis. Zou Taylor nog iets te vragen hebben, aan de mannen die de loopgraven meemaakten? Nee, niets, antwoordt de Engelsman.
De kant van de daders
Net als de BBC-serie zonder ooggetuigenverslagen van na de oorlog, zijn de First World War Galleries in het Imperial War Museum immens populair. In de weekenden staan de rijen tot buiten het gebouw. Het kan dus, het verhaal levend houden, zonder dat de generatie die het heeft meegemaakt daaraan bijdraagt.
Zijn wij in Nederland voor onze Grote Oorlog goed genoeg voorbereid om de open zee van de geschiedenis op te varen? Historicus Edwin Klijn van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie houdt zich bezig met die vraag.
Eerder maakte de Nederlandse overheid al 23 miljoen vrij voor het project Erfgoed van de Oorlog, onder andere om archieven te digitaliseren, maar ook om nog getuigenverklaringen op te tekenen. Dat krijgt nu vervolg in Netwerk Oorlogsbronnen, onder leiding van Klijn.
Bij Klijn is verzamelmoeheid, of vrees voor een te grote collectie niet aan de orde. Wat hem betreft kan je nooit genoeg gevraagd hebben. Gaten in het weten over is niet iets van de toekomst, nu al zijn er hiaten in het verzamelen van de geschiedenis, vindt hij. Met name aan de kant van de daders ontbreekt het nu al aan mondelinge overlevering.
Dat taboe is een hindernis die bij het conserveren van de Eerste Wereldoorlog minder speelt; van een collectieve schaamte voor een perfide ideologie en de daaruit voortgevloeide gruwelen, was na de Eerste Wereldoorlog niet of nauwelijks sprake.
Klijn: De interesse in de kant van de daders is er lang niet geweest. Dat is nu anders. Waarom vochten er Nederlanders mee aan het Oostfront? Wat was hun motivatie om mee te gaan met de ideologie van het nationaal-socialisme? Er vinden nog steeds interviews plaats met mensen die het hebben meegemaakt.
Het onderwerp is lang taboe geweest. De ideologie en de aantrekkingskracht van de NSB is vaak niet serieus genomen door historici en het stellen van vragen hierover aan oud-NSB ers gebeurde niet of nauwelijks. Nu de afstand in tijd groter is, zijn de getuigen eerder bereid om hun verhaal te vertellen en stellen wij andere vragen. Dus in die zin hebben nieuwe getuigenverhalen wel waarde. Wel zit er nu meer dan zeventig jaar tussen: mensen vergeten dingen of weten in hun getuigenissen geen onderscheid te maken tussen hun eigen ervaring en de informatie die zij later hebben vernomen. Het is dus heel lastig om hier feitelijkheden uit te halen. De waarde zit eerder in de beschrijving van sfeer, een situatie of indrukken. Dat vind je weer minder in de archieven.
In de Verenigde Staten bestaat inmiddels een project waarbij holocaustoverlevers in de klas geprojecteerd worden als hologram en zo hun verhaal vertellen én ook nog antwoord geven op vragen. Ik beantwoord iedere vraag die je zou kunnen hebben , aldus het hologram van de dan tachtigjarige Poolse Pinchas Gutter tegen een klas middelbare scholieren in het promotiefilmpje. Het werkt volgens hetzelfde systeem als Siri in Apple-producten. De nabijheid van het hologram net StarWars zou de geschiedenis tastbaarder moeten maken voor een nieuwe generatie, al leveren deze vragen natuurlijk geen nieuwe informatie meer op.
Façade van bescheidenheid
Hier in Nederland heeft die techniek nog niet haar intrede gedaan, en voorlopig ziet het er ook niet naar uit dat schoolkinderen hun vragen aan hologrammen kunnen stellen. Maar wat dan wel? Zijn er algemene vragen te bedenken of is er een leidraad te geven, voor degenen die zich realiseren dat zij van de generatie zijn die het nog niet hoeven te doen met een hologram of een video? Die nog (familie-)geschiedenis kunnen ontginnen?
Hoogleraar moderne geschiedenis Doeko Bosscher denkt van wel. De afgelopen tien jaar werkte hij aan het boek Haast om te sterven, over zijn oom, de gefusilleerde verzetsheld Fritz Conijn. De meeste informatie haalde hij uit archieven. Later vulde hij dat aan met gesprekken met mensen die Conijn hadden gekend tijdens de oorlog en dook daar weer het archief mee in. Je archiefwerk vormt het geraamte, dan doe je de interviews en die staaf je weer door terug het archief in te gaan.
Aanvankelijk stuitte Bosscher bij de vier mensen die hij nog kon spreken voor zijn boek op onwil om over hun rol tijdens de oorlog te praten. Ik merkte dat ze vaak schamper doen en een façade van bescheidenheid optrekken. Maar dat is frustratie over hun miskende rol. Bovendien is voor hun het verhaal afgesloten; interpretaties van waarom ze deden wat ze deden of verandering van inzicht, dat zie je niet meer. Het is eigen aan de leeftijd.
Achteraf is alles anders
Toch is het nuttig om opa s en oma s te blijven bevragen, stelt Bosscher, al zijn ze dik in de negentig. Het geeft niet dat je niet weet waar je naar zoekt, al krijg je met gericht graven wel meer details. Lang geleden heb ik mijn eigen vader een microfoon voor zijn neus gezet. Ik heb hem leeg laten lopen, alleen gevraagd: vertel nu eens jouw verhaal. Ik dacht toen vooral: leuk, heb ik de stem van mijn vader. Het bleek later van groot belang te zijn voor het boek.
Alle interviews die Bosscher deed zou hij nog een keer over willen doen nu hij de geschiedenis van Fritz Conijn gereconstrueerd heeft. Maar bijna iedereen is inmiddels dood. Het gaat dan natuurlijk niet zozeer meer over feiten, maar over interpretaties: karakteristieken van personen, het waarom achter bepaalde acties, de motivatie om in het verzet te gaan en de achtergronden van heldendom, lafheid, verraad, meedrijven met de stroom of juist ertegenin zwemmen. Let wel, niemand wist tot ver in 1944 hoe de oorlog zou aflopen en het perspectief van een halve eeuw bezetting was reëel. Achteraf is alles anders dan wanneer je in een vliegende storm zonder kompas vanachter beslagen ramen naar de toekomst probeert te navigeren.
Ook ons perspectief op toen wisselt nog steeds, vinden zowel Bosscher als Klijn. Hoe dat er over tien of veertig jaar uitziet, is moeilijk te voorspellen. Maar er daarom maar helemaal niet meer naar vragen, is een gemiste kans. Zie de reconstructie van de geschiedenis van de familie Conijn; wellicht blijkt het verzamelde materiaal wel degelijk meer waarde te hebben dan alleen een sentimentele. Maar voor wat, en wanneer het van pas komt, weet je vaak niet van tevoren. De ramen van de toekomst zijn nog altijd beslagen.

 

Dit artikel kwam tot stand met behulp van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten