woensdag 26 februari 2014 / Bob Bronshoff

Artikelen / folia

Eindelijk een echt museum

De UvA droeg vorig jaar het complete Zoölogisch Museum Amsterdam over aan Naturalis in Leiden. ‘Wij zijn niet bij machte geweest om met één mond te zeggen: dit gaan we doen om het museum in Amsterdam te houden.’

 

Tegenwoordig moet collectiebeheerder Elly Beglinger met de lift naar haar collectie sponzen op sterk water. In de toren van Naturalis
staan de duizenden potten, de zogenaamde natte collectie, helemaal bovenin op de negentiende etage. ‘In het oude gebouw aan het Oosterpark stond de natte collectie juist in de kelder. Totaal
niet slim natuurlijk, want we zaten eigenlijk op een bom. Hier worden alleen de bovenste verdiepingen beschadigd als er iets misgaat.’


Naturalis in Leiden is in ieder opzicht beter uitgerust om de 175 jaar oude collectie van honderdduizenden dieren, planten en stenen in te bewaren. Er komt geen daglicht, de temperatuur wordt gecontroleerd en er is een professionele ongediertebestrijder die de opgezette dieren en planten vrij moet houden van muizen, museumkevers, mieren en andere knagers die het op hen voorzien hebben. 

 

De toren is zo goed geïsoleerd tegen invloeden van buitenaf dat er momenteel een van de afdelingen afgesloten is vanwege een te hoge concentratie formaldehyde. De oude spaanplaat dozen uit het Zoölogisch Museum Amsterdam (ZMA) zijn de oorzaak van de giftige damp.

 

In Amsterdam was het probleem nooit opgemerkt, omdat het daar altijd tochtte zodat de formaldehyde geen kans kreeg om te blijven hangen. Maar dat was dan ook een van de weinige voordelen van het gebouw. In de kelder was het in de herfst te vochtig, op zolder te heet en werd er nog weleens iets opgegeten. Nee, de collectie van het ZMA is beter te conserveren in de moderne faciliteiten van de Universiteit Leiden.

 

Maar geldt dat ook voor de ongeveer twintig medewerkers die meegekomen zijn uit Amsterdam? Beglinger vindt van wel, hoewel ze nu drie kwartier moet reizen om op haar werk te komen. En ja, natuurlijk moesten de collega’s van beide universiteiten aan elkaar wennen, is er te weinig werkruimte en zijn de communicatiekanalen anders. De normale opstartproblemen bij een fusie, vindt Beglinger. ‘Alles bij elkaar valt het mee.’ Al jaren hikten zij en haar collega’s tegen een mogelijke overname aan. Ze is blij dat ze haar baan mocht houden. ‘Er zijn zo veel mensen die ontslagen worden tegenwoordig en iets nieuws vind je niet.’

 

 

Afbrokkelend instituut
De zoektocht naar oud-ZMA medewerkers die wilden spreken over hun nieuwe situatie was niet makkelijk. Mensen namen hun telefoon
niet op, reageerden niet op voicemails of e-mail. Sandrine Ulenberg, de laatste directeur van het ZMA, wilde niet praten en ook niet toelichten waarom ze er niets meer over wilde vertellen.

 

Het was duidelijk: de overname lag een dik jaar na dato nog steeds gevoelig. Bioloog Ronald Vonk snapt de reactie wel. ‘Ik kan me voorstellen dat Sandrine niet mee wilde werken. Als ik in haar schoenen had gestaan was ik waarschijnlijk nog veel persoonlijker
geraakt. Je bent toch de laatste directeur van een museum dat nu niet meer bestaat.’


Toen de collectie nog in Amsterdam stond, zat Vonk samen met Ulenberg in de leiding en was hij vooral bezig met het managen van de problemen van een afbrokkelend instituut. ‘In de laatste dagen van het ZMA was ik verantwoordelijk voor alle gewervelde dieren. Op het laatst trouwens ook voor de ongewervelde dieren, want die conservator ging met pensioen en werd niet vervangen. Ik was vooral bezig met regelen en nam weinig tijd om onderzoek te doen.’

 

Vonk zag in de tijd dat hij er werkte, van 1986 tot de verhuizing in 2011, het aantal medewerkers teruglopen van rond de tachtig naar
twintig. De reuring die studenten brachten verstomde langzaam maar zeker, topwetenschappers bleven weg en de publicaties liepen terug. In de laatste jaren deden er niet meer dan tien
studenten per jaar onderzoek in het ZMA.

 

‘We waren veel te duur voor zo weinig studenten. Op zeker moment zak je onder een minimum, je glijdt een neerwaartse spiraal in,’ zegt Vonk. ‘Je kan het nog het beste vergelijken met een goed restaurant dat gaat bezuinigen. Dat merk je eerst in de kwaliteit eten, daarna wordt de service steeds slechter, je zit er niet meer lekker. Het kan heel lang duren, maar uiteindelijk blijft er niks van over. Zo ging het ook bij het ZMA. Op het laatst werd het stil. Iedereen die er werkte wist dat ze alleen maar op de winkel pasten. Toch kan je zeggen dat we het nog lang hebben uitgehouden. De beslissing om het ook echt te sluiten is heel geleidelijk gegaan. Zo geleidelijk

dat ik het op een gegeven moment niet eens meer echt zag gebeuren. Maar zo rond 2006 begon de sluiting toch steeds meer vaste vorm aan te nemen. Dan zie je eens wat officieels langskomen, afspraken die echt gemaakt zijn, een brief van het
College van Bestuur.’

 

Later lacht Vonk schamper. ‘De beslissing had je in twee weken kunnen maken met de juiste mensen in één kamer bijeen, de vraag is waarom het nodig is geweest om er in het geval van het ZMA twintig jaar over te doen.’

 

In 2009 ging de kogel definitief door de kerk toen het ministerie van OCW een subsidie van dertig miljoen toekende voor het samenvoegen van de collecties van het ZMA, de Herbaria van de
Wageningen Universiteit en het Leidse Naturalis tot één instituut: Naturalis Biodiversity Centre.

 

 

Verdwaald schoothondje
Vonk leidde zijn deel van de enorme operatie van de verhuizing naar Leiden, zorgde dat de honderdduizenden zoogdieren, vissen, vogels, schelpen, sponzen en koralen heel hun nieuwe plek haalden. Alleen de insecten vielen niet onder zijn verantwoordelijkheid. 184 verhuiswagens moesten eraan te pas komen om de collectie heelhuids naar Leiden te krijgen.

 

De zoogdieren hebben nu, ruim anderhalf jaar later, bijna allemaal een plek gevonden in Naturalis. Bijna, want in een gangpad slingert
zo nu en dan nog weleens iets rond. Een bruine beer uit Rusland bijvoorbeeld, die op zijn achterpoten staand te groot is voor de kasten. Een opgezet schoothondje is verdwaald tussen de wilde dieren. Het rode kaartje aan zijn poot geeft aan dat hij op de nominatie staat om een andere bestemming te krijgen omdat hij geen biologisch of historisch nut heeft voor de collectie.
Een kaarsrechtopzittende bonobo, begin twintigste eeuw beroemd in Artis, past vanwege zijn bizarre pose nergens echt bij en moet in het
gangpad bivakkeren. Het zijn details, het merendeel staat weer vindbaar en gedocumenteerd in de Leidse toren.


Maar die collectie, die is de UvA definitief kwijt. Sinds het vertrek van het ZMA is Amsterdam samen met Vilnius in Litouwen de enige hoofdstad in Europa zonder natuurhistorisch museum. Alles wat er nu nog rest van het ZMA voor de stad is een vaste kleine tentoonstelling in het aquarium van Artis.

 

‘Niemand weet dat die opgezette dieren bij het ZMA horen. De rest van de collectie was niet toegankelijk voor publiek ,’ vertelt Vonk.
‘Als je jezelf een museum noemt, moet je het ook zijn. Maar zo zaten wij er destijds helemaal niet in. Achteraf is het niet openstellen van de collectie een enorme vergissing geweest. Nu ik hier zit, zie ik pas wat er nodig is om een museum te zijn, om mensen te kunnen ontvangen, want Naturalis heeft wel een gezicht. Het ZMA
heeft zichzelf niet onmisbaar gemaakt voor
de stad.’


Zuur, vindt Vonk. Als er eerder prioriteit aan het ZMA gegeven was, had de collectie niet naar Leiden gehoeven, denkt hij. ‘Het heeft alles te maken met keuzes die een universiteit maakt. Kijk bijvoorbeeld naar het Allard Pierson Museum, dat bestaat nog wel. Aan de andere kant kan je ook zeggen dat wij er niet in geslaagd zijn
het ZMA aantrekkelijk te houden voor studenten en onderzoekers.’ 

 

Maar de puf was eruit. ‘Wij zijn niet bij machte geweest om met één mond te zeggen: zo moet het, dit gaan we doen om het museum in Amsterdam te houden.’ Persoonlijk voelt dat voor Vonk nog steeds als een strijd die verloren is. ‘We hadden ons helemaal vereenzelvigd met het museum. Je identificeert je met de lange en rijke historie en de verhalen die aan de collectie vastzitten.’

 

De verhuizing heeft uiteindelijk ook grote voordelen gehad, geeft Vonk toe. De collectie was in Amsterdam aan het wegkwijnen. In Leiden hoeft door de subsidie van dertig miljoen eindelijk eens niet bezuinigd te worden en wordt er onderzoek gedaan door onderzoekers van over de hele wereld. En er komt een nieuw museumgebouw. Vonk: ‘Dat geeft een enorme boost.’

 

Ook persoonlijk is Vonk erop vooruitgegaan nu het leed van de fusie geleden is: hij heeft voor het eerst in jaren weer tijd om onderzoek te doen. ‘Ontzettend leuk, maar ik loop jaren achter.’

 

Rijke geschiedenis, lange financiële worsteling

Het Zoölogisch Museum vindt zijn oorsprong samen met Artis. Dieren die daar doodgingen – en dat waren er nogal wat aangezien men weinig kaas had gegeten van exotische dierverzorging – werden bewaard en opgezet. Het werden er zo veel dat Artis in 1850 een speciaal museum voor de objecten bouwde: het Groote Museum. Tot dan toe waren de opgezette beesten vooral een curiositeit, maar daar kwam met de aanstelling van Max Weber, de eerste hoogleraar zoölogie, verandering in. Hij verzamelde op zijn
expedities naar de het Poolgebied, Zuid-Afrika en Indonesië enorm veel zoölogisch materiaal voor de wetenschap. Het ZMA bloeide, tot in de jaren dertig de crisis uitbrak en het museum bijna failliet was. De gemeente greep op het laatste moment in door de hele inboedel te kopen: het ZMA was nu eigendom van de UvA, toen nog de Gemeentelijke Universiteit. Na de oorlog was de verzamel- en
onderzoekswoede enorm. Het ging het museum voor de wind. De collectie werd gefinancierd door het rijk uit een speciaal potje. Daar kwam in de jaren tachtig een eind aan. Het ZMA viel nu onder de
verantwoordelijkheid van de faculteit biologie. De faculteit zag zichzelf als onderwijsinstelling, niet zozeer als een conservator voor de collectie en rekende het ZMA af op het aantal studenten. Die
waren er toen nog in overvloed, maar het onderhoud van de miljoenen objecten drukte zwaar op het instituut. Er bleef weinig
over voor onderzoek of het aantrekken van topwetenschappers.
Door de opkomst van DNA-onderzoek nam het aantal studenten en de impact van de publicaties nog verder af. Geleidelijk kwam
de UvA tot de conclusie dat het ZMA een ander onderdak moest hebben. In 2011 verhuisde het museum naar Leiden, de drie
panden aan de Plantage Middenlaan en het Oosterpark leeg achterlatend. De UvA wil van het vastgoed af, maar tot nu worden
twee van de drie panden bewoond door een anti-kraakwacht.